Het schaap

Het Kempische Heideschaap

Het Kempische Heideschaap is een middelgroot schaap. Het behoort tot de grote heideschapen. Het is echter kleiner en minder zwaar dan het Veluwse Schaap en heeft een betere vleeskwaliteit. Het is van oudsher bekend en gezocht als vleesschaap. Het is geschikt voor het beheer van heideachtige vegetaties en schrale graslanden. Het staat hoog op de benen, heeft een lange rug en een statige verschijning. De hals is lang en wordt gestrekt gedragen. Volwassen ooien wegen tussen de 45 en 65 kg. Kempische Heideschapen brengen gemiddeld ongeveer 1.5 lam groot. Jonge (eenjarige) ooien worden doorgaans niet bij de ram gelaten.
De kop is lang, smal en onbewold en glanzend behaard tot achter de oren, heeft een weinig verheven neus en een plat voorhoofd. De neusspiegel is minder roze dan bij het Veluwse Schaap. De kop is evenals de poten meestal geheel wit van kleur, maar soms ook bruin of gespikkeld. De ooien zijn altijd ongehoornd, de rammen doorgaans ook.
De wol van het Kempische Heideschaap is bijna helemaal wit, tamelijk fijn, korter en fijner dan van het Veluwse Heideschaap en het Mergellandschaap, er valt ook geen scheiding in. De wolopbrengst is gemiddeld 3 kg. De buik is onbewold en soms ook de keelgang. De staart is lang en bewold, maar korter en minder grof dan bij het Veluwse Heideschaap, hij komt tot enkele centimeters onder de hak.

Raseigenschappen

Schapen produceren vlees, melk, wol en mest. Eeuwenlang werden heideschapen in de Nederlandse en Belgische Kempen vooral om dat laatste product gehouden: schapenmest. (zie hiervoor ook het tabblad: geschiedenis.)
Door de graasactiviteiten van – vooral – de grote aantallen schapen ontstonden in de loop der eeuwen uitgestrekte, vrijwel boomloze heidevelden met een heel bijzondere, en vaak kwetsbare flora en fauna. Parallel aan deze landschapsvorming ontwikkelde zich in de Kempen een type schaap dat specifiek was aangepast aan de schrale en vaak harde levensomstandigheden op de heide. Het Kempische heideschaap is dan ook een gehard ras. Het kan uitstekend toe met een schraal dieet van heide, hard gras en het onkruid dat na de graanoogst afgeweid werd op de akkers. Uiteraard is het Kempische heideschaap op zijn best bij de bestrijding van houtige gewassen zoals Berk, Els en Lijsterbes. Zelfs Brandnetels en Akkerdistels worden aangepakt. Daarnaast blijken (Kempische) heideschapen minder gevoelig te zijn voor de gifstoffen van het oprukkende Jacobskruiskruid. Maaien en nabeweiden met Kempische heideschapen is een goede beheermethode om deze plant onder controle te houden.
Op grond van deze eigenschappen is het Kempische heideschaap ook in de eenentwintigste eeuw de beste beheerder van de zeldzaam geworden heideflora- en fauna in onze schaarse heidereservaten. Het is een “grote grazer”, die best wat meer aandacht verdient van de gevestigde natuurbeschermingsorganisaties.
Daarnaast is het Kempische heideschaap een gemakkelijk schaap. Geboortehulp is slechts zelden nodig en het beenwerk is gemiddeld genomen goed. De dieren zijn dan ook in staat om gedurende langere tijd in relatief moeilijk te terrein te verblijven en te lopen. De moedereigensschappen zijn goed ontwikkeld. Dat geldt ook voor het kudde-instinct, waardoor het in het veld goed gehoed en gestuurd kan worden.

Geschiedenis

Op het uitgestrekte zandplateau van de Nederlandse en Belgische Kempen zijn archeologische botvondsten bekend vanaf de Bronstijd. Botvondsten uit de Vroege Middeleeuwen lijken al zeer veel op recent botmateriaal; het aantal ongehoornde schapen begint vanaf die tijd te overheersen. Bijzonder natuurgetrouwe afbeeldingen van het Kempische Heideschaap zijn bekend van schilderijen, gravures en tekeningen uit de negentiende eeuw. Het gebied dat in Nederland en aangrenzend België wordt aangeduid als “De Kempen” bestaat een veel groter dekzandmassief dan bijvoorbeeld de Veluwe of het Fries-Drents Plateau. In dit relatief grote gebied heeft waarschijnlijk enige variatie bestaan binnen het ras zelf, een variatie die door culturele factoren nog meer werd vergroot. Zo komen we in de rekenboekjes van de negentiende eeuwse “Venrayse Schapencompagnie” namen tegen als “Peelschaap” en Maasschaap”.
Het Kempische Heideschaap was een bepalende factor in het ontstaan van het landschap en de biodiversiteit van de Kempen. Eeuwenlang was het in de Nederlandse en de Belgische Kempen het talrijkste landbouwhuisdier. Door de begrazing met dorpskuddes, die vanaf de Vroege Middeleeuwen steeds intensiever werd, werd het begraasde landschap steeds opener. In dit open landschap ontwikkelde zich het typische Kempische heidelandschap met verschillende, soortenrijke ecosystemen, afhankelijk van o.a. de vochtigheidsgraad van de bodem. ’s-Nachts werden de schapen dooorgaans opgestald. De mest die op deze wijze werd verzameld hadden de Kempische heideboeren hard nodig om op de schrale zandgronden akkerbouw te kunnen plegen. Vanaf de veertiende eeuw werd in de Kempen de z.g. “plaggenlandbouw” ontwikkeld. Vanaf die tijd werden uit de heidevelden gestoken plaggen gebruikt als basismateriaal in de potstallen. Vermengd met schapenuitwerpselen werden deze plaggen vervolgens gebruikt voor de verbetering van de akkers. Hierdoor ontstonden plaggenbodems die vaak meer dan een meter dik werden.
De aanwezigheid van grote aantallen schapen leidde tot het ontstaan van een wol- en textielindustrie die in sommige steden in de Kempen (o.a. Tilburg en Helmond) tot ver in de twintigste eeuw een bloeiende ontwikkeling kende. Ook in die zin behoort het Kempische Heideschaap tot het culturele erfgoed van de regio. In 1811 werden op initiatief van Lodewijk Napoleon en in 1825 door Koning Willem-I Spaanse merino-schapen ingevoerd in de Brabantse Kempen. Door deze te kruisen met het aanwezige Kempische Heideschaap werd gehoopt een betere wolkwaliteit te verkrijgen. Misschien komt het daardoor dat de kwaliteit van de wol van Kempische heidechapen tot op de dag van vandaag als iets beter wordt beoordeeld dan die van de andere heideschapenrassen.
De ruime beschikbaarheid van schapen- en lamsvlees heeft uiteraard ook geleid tot een culinaire traditie die overigens nu vrijwel vergeten is. Met name in de zeventiende en de achttiende eeuw werden vrijwel alle ramlammeren en veel ooialmmeren verkocht om in de vruchtbare randgebieden van de Kempen (het Maasdal en in het zuidwesten de Scheldepolders bij Antwerpen) verkocht om vetgeweid te worden. Ook werden er, via de veemarkt in Uden, veel lammeren verkocht om in de uitgestrekte Peel te worden gehoed. Wanneer ze ongeveer één jaar oud waren werden ze tot in Parijs en Londen om het lamsvlees verkocht.
Het samenhangende systeem van ”infields” (de akkers dicht bij de dorpen) en “outfields” (de heidevelden verder van de nederzettingen) heeft geresulteerd in rijk geschakeerd en soortenrijk landschap. Na de uitvinding van kunstmest en prikkeldraad, maar ook als gevolg van de industriële revolutie en de daarmee samenhangende bevolkingsgroei werd vanaf het einde van de negentiende eeuw in steeds sneller tempo overgeschakeld op intensievere vormen van landbouw. De uitgestrekte heidevelden werden ontgonnen tot intensief grasland en maïsakker. Daardoor verloor het Kempische Heideschaap zijn landbouwkundige betekenis.
Halverwege de zestiger jaren van de twintigste eeuw bleek het Kempische Heideschaap zo goed als uitgestorven te zijn. Het resterende heideareaal (inmiddels afgenomen tot minder dan 10 procent van de oorspronkelijke oppervlakte!) werd vanaf die tijd aangemerkt als natuurreservaat. Hier en daar brak het besef door dat begrazing met heideschapen de enige beheermethode is om de grote biodiversiteit van deze natuurreservaten duurzaam veilig te stellen. Dit besef heeft aanleiding gegeven voor de oprichting van de Stichting Het Kempische Heideschaap (Heeze, 1967) en voor een succesvolle actie voor het opsporen van de laatste exemplaren en het opzetten van een verantwoord fokprogramma. Er zijn nu (medio 2005) ongeveer 2.000 Kempische Heideschapen geregistreerd in het Nederlandse stamboek. Deze worden allen ingezet in het beheer van natuurreservaten (heidereservaten). Het actuele aantal in België is niet bekend, maar bedraagt waarschijnlijk enkele honderden (gescheiden stamboekregistratie).

Kempenlam

Kempen Lammeren grazen op heidevelden en natuurgraslanden in de Kempen. Dat is goed voor de natuur en de biodiversiteit. Allerlei planten en dieren krijgen hierdoor een kans. De lammeren hebben op de heide volop de ruimte en de tijd om te spelen, te eten en te groeien. Dat proef je in het vlees: mals zoals lamsvlees hoort te zijn. Én zacht kruidig van de heide.

Kempen Lam is een seizoensproduct. Omdat de lammeren grazen in natuurgebieden en op de heide, bewegen ze veel en krijgen ze ruim de tijd om te groeien. Het seizoen van het Kempen Lam begint omstreeks november en loopt door tot maart/april.

Kempen Lammeren zijn 100% raszuivere Kempische Heideschapen. De lammeren worden in de Kempen gehouden, eten uitsluitend voer uit de Kempen en worden geslacht en verwerkt in de Kempen. Schapenhouders, voerleveranciers, slagers en restaurants worden hierop gecontroleerd en gecertificeerd. Daardoor weet u dat het om een écht Kempen Lam gaat.

Voor verkrijgbaarheid van Kempenlam klik op onderstaande link:

Waar kan ik het Kempenlam verkrijgen?